Ruman

Het was als vallen -als het vallen in haar dromen, peilloos, oneindig. Maar dan omhoog, in een onmetelijk lichte donkerte. Alsof een onzichtbaar plafond in haar bínnenste binnenste zich opende. En nog een. En nog een. En… Een implosie van liefde. Alsof ze opsteeg in zichzelf, zichzelf ontsteeg, ineens inzicht kreeg in het leven zelf.

Een flits. IJle herfstlucht. Dwarrelende blaadjes, geel, roodbruin en goud, glinsterend getooid met wat nog restte van de regendruppels van de bui even daarvoor, uitbundig overgoten door triomfantelijke zonnestralen. Het beeld is bevroren: glorieuze confetti gevangen in de tijd, vederlicht, voor eeuwig vastgelegd in haar herinnering. Feilloos ditmaal. Het gevoel van de koude wind op haar wangen. Haar brandende hart. Het trillen van haar intens dankbare wezen. Ze stroomt over.

Een zoete geur vult haar neus. Zijn hand over haar mond. Vingers die iets tussen haar lippen duwen. De smaak van granaatappel op haar tong, de zaadjes geplet tegen haar tanden. Het plakkerige sap vermengt zich met een druppeltje bloed uit haar stukgebeten onderlip. Ze kauwt op de pitjes en voelt zich opgetild. Zijn geest vloeit diep in haar, daar waar hij zich verstijven kan. Overweldigend genot. Genade!

Zijn handen glijden langzaam van haar hals naar beneden, koel op haar warme huid. Ze huivert van verlangen. Weet zich bemind en begeerd; gewaardeerd en gerespecteerd. Weet ook: er zijn geen grenzen aan deze liefde, die zich op ieder denkbare manier zal uiten, een weg zal zoeken, ondergronds of bovengronds, of beide. Sluit haar ogen. Ze is wakker, zo wakker! En waakt over deze man en zijn welzijn, bewust. Wat is, is. Zo vrij als ze is, ze behoort hem toe.

 

Laat je me gaan?

Laat je me gaan? vroeg hij zacht, ogen geloken, blik op de tafel. Zijn knie raakt de hare. Ze gloeit tot in haar tenen, dronken van de slaap, vol van zijn nabijheid.

Natuurlijk niet! roept haar hart verschrikt, al ontzet bij de gedachte, terwijl haar hoofd wil knikken Ja, uit vrees voor zijn afwijzing van haar wezen, al waar ze voor staat. Er wacht hen belangrijk werk, noodzakelijk werk; persoonlijk motieven zijn daar ondergeschikt aan. Kan, mag het naast elkaar bestaan? Een echo van oude pijn klopt op de poort van haar herinneringen.

Weet hij dan niet dat haar hart al naar hem uitging in dat kleine kantoor, waar hij zijn aandacht liet afdwalen naar wat nootjes op een bordje, zij verstild, verrukt hem gadesloeg? Hij proefde háár die dag, in de dadels, noten en rozijnen die zij had mee gebracht, voelde háár verbazing om zijn stralende licht, dat geen ander leek te zien; voelde háár hand die het blauw van zijn trui wilde aaien en zich wilde opkrullen in het borstzakje van het overhemd eronder. Hij hield háár in zijn hand, die dag; een oude fractie van haar vrouw-zijn op de pagina’s vol lyriek en andermans verhalen die desondanks zijn interesse niet beroerden. Hij zag háár. Zag hij niet hoe ze sidderde?

Laat je me gaan? vraagt ze zich af, starend in de verte, denkend aan hem. Ze denkt weer aan die avond, zijn handen op haar lichaam, lippen op de hare.
Ze wil zijn innerlijke vuur voeden, hem ontmoeten in het verlangen waarin ze elkaar zullen blijven vinden, zonder zichzelf of hem op te branden. De hitte die ze die avond ervoer was verzengend, zuiverend; likt aan haar dorstige binnenste met iedere dag die voorbijgaat. De afstand lijkt groter. Maar haar ongeduld en perceptie zijn verraderlijk; er liggen twijfels op de loer die mogelijk niets met hem van doen hebben maar alles zeggen over haar veranderende perspectief. Hij brengt haar onmetelijke diepte in beweging; laat haar stromen, uit zichzelf putten voor hem. De onderstroom!

Ze zakt op haar knieën, vleit haar warme lijf op de koele vloer. Kijkt omhoog en ziet niets in het donker; ziet dan ineens alles tegelijk. Haar plaats is hier nu; hier, in dit vreemd verscheurde land. En dat heeft alles met hem te maken. Ze moet gaan waar hij gaat; de weg toont zich vanzelf. Ze weet dat ze door deze man zal breken, zichzelf zal dwingen op te geven wat ze gewoon was -wat haar niet langer dient. En het zal haar sterker maken. Want ze horen bij elkaar, behoren de handen in een te slaan om bergen te verzetten -en dat is wat ze zullen doen, biznillah. Tegen elke prijs.

 

 

Aman!

Aman!
Ze had voor hetere vuren gestaan, maar toch riep ze hulp in. Er was werk aan de winkel en het was van levensbelang dat zij dit keer in haar kracht zou blijven staan.
Zijn wezen verwarde haar. Ze voelde het vuur in hem branden, zag zijn licht helder stralen en had al meerdere malen een glimp opgevangen van een ongelooflijke tederheid. Eigenlijk wist ze hem een halve heilige – maar dat was natuurlijk niet wat haar zorgen baarde.
Nee. Het was een facet van zijn aardse manifestatie, een kant van zijn huidige karakter en wat hij hier had uit te werken wat haar de adem benam, waardoor iets in haar stil viel, geluidloos toeschouwde hoe deze confrontatie zich zou ontvouwen.
Ze was zich tot op het bot bewust van zijn verlangen, rauw en primitief; zo puur en intens -de heerser in hem die haar al wilde opeisen, zich eigen maken, desnoods tegen beter weten in. Maar er hoefde geen dwang te zijn! Het was een keuze, die volledig resoneerde met haar overtuiging, het pad dat zij ging. En daarbij, dat was niet de reden dat ze elkaar weer gevonden hadden. Er was een kracht in hem actief die hij zich meester had te maken, die voortkwam uit een oude venijnige woede, een angel van gif die hem (hen?) eerder al eens bijna de das had omgedaan. Welke rol had zij daar ingespeeld? Wat was er gebeurd? Ze moest het zich herinneren, om te voorkomen dat het nog eens zou gebeuren. De balans móest hersteld worden.
Zozeer als zij hem nader was, zozeer diende zij nu zuiver te handelen. Ze wist dat zij in veel opzichten zijn gelijke was en zich met hem kon meten, indien nodig. Nu was het echter zaak om de oorzaak van het kwaad dat zich als een verborgen abces schuil hield onschadelijk te maken -en snel.
Ze had hem innig lief, nog steeds. Hij zou het begrijpen. Wat had ze te vrezen? Evengoed wist ze dat zijn komst in haar leven een omslag markeerde die haar toonde dat er grote veranderingen op til waren. Een rilling liep over haar rug bij de gedachte aan de enorme rode slang die ze vannacht in haar dromen had gezien. Aan haar de taak om die te vangen, veilig te herleiden naar functionaliteit in plaats van vernietiging. Het was tijd voor haar krachtproef.
Khayr inshallah.

Melila

“Je dacht toch niet dat ik dat echt ging doen hè?”
Hij staarde me ongelovig aan terwijl hij het zei. Ik voelde me met de minuut paniekeriger worden.
“Kom op nou Mo, je hebt het me beloofd!” zei ik met overslaande stem. Tranen prikten in mijn ogen. Mijn borst deed pijn; het leek wel alsof iemand een bankschroef steeds een tandje strakker zette. Shit, dit ging niet goed! Hoe moest ik het zonder hem klaarspelen?
“Nee schatje, je bekíjkt het maar met die mooie plannetjes van je!”, beet hij me toe, ineens pislink. “Het zal me worst wezen hoe je dit oplost, ik ben hier weg!”
Ik stapte op hem af, maar één blik op zijn gezicht deed me achteruit deinzen. Zo had ik hem nog nooit meegemaakt!
“Fuck off!” Mo griste zijn jas van de stoel waar hij ‘m even tevoren nog achteloos overheen had gegooid en beende de kamer uit. Trillend op mijn benen staarde ik hem na, hoorde de oude trap vervaarlijk kraken. God wat was hij boos! Beneden viel de deur met een klap dicht. Daar ging mijn laatste hoop. Ik staarde radeloos naar de klok boven de deuropening.

Op dat moment ging mijn telefoon. Ik schrok op. Néé, Barry, of all people! Waarom belde die juist nu?
“Zeg, waar zit je nou troela? We moeten gaan, het is tijd! Iedereen wacht op jou!”
Oh, ook dat nog –dat klote benefietfeest! Ik kon mijn hoofd wel tegen de muur slaan. Ik had toch aan alles gedacht –hoe kon ik nou vergeten dat ik had toegezegd die gig te doen? Mijn hart bonsde in mijn keel, droog van de zenuwen.
“Eh, Barry,” zei ik stamelend, “ik heb een probleem, ik kan niet met jullie mee.” Het koude zweet brak me uit. Was er een weg terug? Kon ik dit op de een of andere manier nog terugdraaien?
“Wat nou probleem? Kan me niet schelen, iedereen staat op jou te wachten, over een half uur moeten we op!”
“Ja maar Barry,..” begon ik terwijl de tranen over mijn wangen stroomden en ik door de kier in het gordijn naar buiten probeerde te kijken, “Barry, luister nou, …”

Beneden ging de deur open. Een koude windvlaag deed de polaroids op tafel opwaaien. Nog voor ik me omdraaide wist ik wie er de trap op stormde. De onmiskenbare geur van Angel en wiet drong mijn neus binnen.
“Vuile bitch, ik zál je..!” Krijsend stortte Melila zich op me. Ik kon haar lakleren handtas maar net ontwijken. Knalroze nepnagels klauwden hard in mijn haar, boorden zich in mijn hals. Ik probeerde haar van me af te duwen maar ze was te sterk.
“Steef? Steef?” Barry’s stem schetterde uit mijn mobieltje. “Verdomme Steef, geef antwoord! Wat is er aan de hand? Wat is het probleem dan? Steef! Wat is dat voor gekrijs?”
Rochelend sloeg ik tegen de grond toen een hak van haar fonkelnieuwe Manolo Blahniks mijn linkerslaap raakte. Alles draaide. Er stroomde iets warms en stroperigs over mijn wang.

“Stééf!”

Tuut-tuut-tuut-tuut-tuut…

De reis van de ster die een staart had (eerste hoofdstuk)

Het was op een avond dat het zo warm was dat Safiya niet kon slapen.

De haren die uit haar twee dikke vlechten ontsnapt waren plakten in haar nek en kriebelden. Haar voorhoofd was klam van het zweet, net als haar buik. Ze wist niet of ze het knalroze laken met Disney figuurtjes van zich af moest gooien of haar nachthemd uit zou doen om er stiekem bijna in haar blootje onder te gaan liggen. Deed de ventilator het maar! Eerder die avond had de elektriciteit het begeven, weer onder etenstijd. Het was de zoveelste keer die week. Safiya had er haar moeder over horen klagen tegenover haar vader, maar die kon er weinig aan veranderen. Het was de taak van de burgemeester van het dorp om er iets aan te doen, zei haar vader. Hij had zijn handen vol aan zijn eigen werk: als beste bakker uit de buurt stond hij elke ochtend voor dag en dauw op om voor iedereen brood, cake en koekjes te bakken. ’s Avonds, na het eten, viel hij meestal in slaap voor de televisie (als die het tenminste deed). Haar moeder was dan nog bezig met de afwas en de was, terwijl Safiya aan de afgeruimde eettafel over haar huiswerk gebogen zat. Haar broertjes waren zoals gewoonlijk buiten in de straat aan het voetballen met vriendjes uit de buurt.

Nu was het stil in huis en sliep iedereen, behalve Safiya. In het bed naast haar bewoog Safiya’s jongste broertje Adam in zijn slaap. Hij mompelde iets onverstaanbaars, draaide zich op zijn zij en begon zachtjes te snurken. Het geluid stoorde Safiya een beetje. Ze sprong uit bed en schuifelde op de tast naar het raam. Hoe vervelend het ook was om als enige wakker te zijn, Safiya hield wel van de nacht. Het was lekker rustig, zodat ze kon goed nadenken. En dan kon ze tenminste naar de sterren kijken! Dat deed ze het liefst als ze dan toch niet kon slapen. Safiya kon de sterren goed zien vanuit het raam van haar slaapkamer op de eerste verdieping. Heel soms, als ze genoeg moed verzamelde, sloop ze in het donker de trap op naar het dak. Dat was wel een beetje griezelig, want de trap kraakte en ze moest uitkijken dat ze niet op een kakkerlak ging staan. Die kwamen altijd tevoorschijn als het licht uitging en op de en of andere manier zaten ze dan ineens overal. Safiya had er zelfs een keer eentje in haar bed gevonden!

Ze deed het raam een stukje verder open en keek naar de hemel. Geen wolkje te zien; er was alleen een briesje. De was die Safiya’s moeder die avond nog had opgehangen aan de balkonwaslijn zou wel snel droog zijn. In de lucht lag de nieuwe maan als een bootje op het water. Wat vond ze dat toch mooi! Safiya fantaseerde vaak dat ze op reis ging in dat maan-bootje, zó de hemel in, om tussen de sterren te varen. Als dat toch eens zou kunnen!

Toen Safiya nog heel klein was had oma Soepjurk haar verteld dat je een wens mocht doen bij nieuwe maan. Die kwam dan uit als de maan vol was. Safiya was dan wel wat ouder, ze geloofde eigenlijk nog steeds wat oma Soepjurk haar verteld had, omdat ze heel oud en heel wijs was. Bovendien vond Safiya het heerlijk om naar oma Soepjurks verhalen te luisteren. Opa Stok was al heel lang dood; daarom woonde oma Soepjurk gezellig bij Safiya en haar familie. Safiya kon zich opa Stok niet meer zo goed herinneren, maar ze wist nog dat hij een witte priksnor had gehad en twinkeloogjes. Ze had ook nog een andere opa en oma, opa en oma Mansour, maar die woonden twee dorpen verder. Die zag ze meestal alleen op vrijdag, als opa Mansour naar Safiya’s dorp kwam om met haar vader naar de moskee te gaan. Oma Mansour kwam dan op bezoek bij Safiya thuis, waar ze Safiya´s moeder en oma Soepjurk hielp met koken. Dan luisterde Safiya naar het geklets van oma Soepjurk en oma Mansour en pikte ze stiekem lekkere hapjes uit kommen en pannen als haar moeder en oma´s het niet zagen.

Safiya zuchtte. Adam snurkte nog steeds. De wind bracht het vage geluid van muziek en gejoel; vast van het feest na een trouwpartij in een van de dorpen in de buurt. Een hond blafte en dichterbij huis tsjirpten de krekels. De nacht was dan misschien lekker rustig, het was nooit echt stil buiten. Ze keek op. Een spoor van licht trok haar aandacht. Wat was dat nou? Oh, dacht Safiya, een vallende ster! Opgewonden raasden gedachten door Safiya’s hoofd; een vallende ster én nieuwe maan! Dat betekende twee wensen! Wat zou ze wensen? Een 8 voor haar rekentoets.. of..  een nieuwe jurk.. of.. een fiets! Nee, echte roze balletschoenen! Of..

“Ik wens dat ik in het maan-bootje met die vallende ster mee op reis mag!”

Het floepte eruit voordat Safiya het doorhad. Wat had ze nou gezegd? Dat kon toch helemaal niet?! Wat was ze toch ook een flap-uit. Ze had spontaan gewenst waarover ze al zolang fantaseerde! Fronsend en een beetje boos tuurde Safiya naar buiten. Het was weer helemaal donker en de sterren knipoogden nog net zo vrolijk als eerst. Alsof er niets gebeurd was. Nou ja, niets; Safiya had het toch zelf gezien? Ze was blij dat ze de ster had zien vallen; bijzonder hoor! Ze zou het morgenochtend meteen aan oma Soepjurk vertellen. En misschien ook wel aan haar vriendinnetje Hagar, op weg naar school. Ha, Safiya voelde zich al beter. Tevreden deed ze het raam verder dicht en ging ze terug naar bed. Ze staarde naar het plafond. De lichtjes van de ster-stickertjes boven haar hoofd waren nog een klein beetje te zien door de klamboe heen. Het was nog steeds warm in de kamer. Slaperig trok Safiya toch maar het laken over zich heen. De kleine zeemeermin lachte haar toe. Safiya gaapte.

 

 

Mondschein

Mondschein

 

 

Steeds weer die mineur!

De van plezier verschoonde klanken omhullen hem als een goedkope jas; ondanks de aanvankelijke troost die hem zijn heil deed zoeken in de muziek blijft de innerlijke kou. Wat zou hij willen geven om niet te hoeven denken, leven, rijzen uit het donker van deze nacht! Gewoon de ogen dichtdoen en verglijden naar daar waar de zon niet opkomt noch ondergaat.. Het verlokkende licht van de rede! Hoe zat dat ook al weer met die soefies? Ha ja, het licht van de Waarheid: hun wahdat al-wujud! Het is in ieder geval niet ontstoken in zíjn hart. Zou daar niet gewoon een knopje voor zijn?

Steeds opnieuw ook die pijn, het tollen van gedachten, het stollen van het bloed. Zijn adem stokt bij het waarnemen van zijn morbide gedachten. Schaamrood kruipt op zijn kaken. Als zijn moeder hem zo kon zien! Ze zou hem hoofdschuddend in haar armen trekken, klopjes op zijn rug geven om hem tot bedaren te brengen. Misprijzend vraagt hij zich af waar toch haar berusting vandaan komt, hoe het in Godsnaam mogelijk is dat juist zij nog ergens in berusten kàn. En dat terwijl zij degene is die door de God die ze aanbidt in een houdgreep is genomen, gevloerd voor de rest van de dagen die haar binden aan een bestaan zonder zicht op soelaas of verbetering. Hij zou allang gek geworden zijn als hij zo veroordeeld werd tot de eenzaamheid van zijn eigen brein! Maar hem is niets gebeurd. Waarom weet hij dan maar niet te ontsnappen aan de zuigende trek van zijn verdriet ?

 

“Verlos ons van de boze

en vergeef ons onze schulden,

gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren..”

 

Wat? Wat was dat? Hoorde hij nou een stem? Hij zou hebben durven zweren dat hij iets hoorde! Of gaat zijn verbeelding met hem aan de haal? Hij slikt moeizaam, schraapt zijn droge keel. Zijn tong voelt als een stugge lap stof. Zijn hoofd bonst. Wacht, even een slok! Waar is zijn glas nou gebleven? Kringen op de tafel. Volgende keer toch maar een onderzetter, schiet er door zijn hoofd. Hij zucht, sloft naar de keuken voor water. De wijnfles was al leeg.

Hij verloor zijn moed lang geleden, toen de hele situatie  hem nog niet eens zo zwaar voorkwam. Op de een of andere manier was wat restte van zijn incasseringsvermogen kennelijk toen al dieper weggezonken in de peilloze diepten van ontkenning dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. Slepend maalt zijn brein het verleden tot moes, plet het gouden graankorrels van lang vervlogen kinderjaren met nietsontziende tred.

 

Bak geen brood van steengruis als je je maag wilt vullen!”

 

Waar komen die zinnen vandaan? Denkt hij dat?  Met zijn rechterhand zoekt hij steun bij het aanrecht; zijn linkerhand gaat naar zijn slapen. Beelden tuimelen over elkaar heen; kleuren vloeien in elkaar over. Ze worden niet scherp. Dof klopt de ader onder zijn vingers. Hij voelt zich een oude man in plaats van de vitale veertiger die hij behoort te zijn. Hoe voelde hij zich toen hij twintig was? Dertig was? Het doet er niet toe. Niets doet er meer toe. Terug in de woonkamer verzinkt hij in een nietsziende blik en staart hij voor zich uit, de ogen gericht op de muur tegen over hem. Hij voelt een steek bij zijn nieren. Het doet pijn.

 

“Sta op, mijn zoon! Sta op, Mohammed!”

 

Weer die stem! Maar die woorden? Eerder hoorde hij zijn moeder deze woorden zeggen, in een donkere nacht, jaren geleden –maar dit is niet de  stem van zijn moeder! Wat gebeurt er toch met hem? Hij knijpt zijn ogen stijf dicht, zet zich schrap voor de stortvloed van emoties die ineens over hem heengolft. Alsof hij de zin van heel zijn leven uitbraakt.

 

“Sta op en wandel, sprak de rabbi tegen de melaatse.”

 

What the fuck? Is dit een grapje van zijn onderbewuste ofzo? Wat nou, die Christelijke insteek! Wat hem betreft had het Zarathustra mogen zijn, Mohammed Ali, Sneeuwwitje zelfs! Tinkelend gelach vult plotseling zijn oren; giechelend gefluister weerkaatst tegen de kale muren van het huis uit zijn herinnering, ontdaan van zijn geschiedenis door een stelletje socioklojo’s. Gewoon pappa’s hele hebben en houden bij het grof vuil gezet. Full colour trekt zijn jeugd in flarden aan hem voorbij. Kinderlijke plakhandjes aaien haar zachte hals; kriebelende haren strelen zijn wangen. Ze kon nooit echt boos op hem zijn; hij, haar laatstgeborene, haar lievelingskind. Wat was hij gelukkig! Hij ruikt haar geur, haalt diep adem, hopend dat hij oplost in die zweterige zoetheid, dat het de spoken in zijn hoofd verjaagt. Maar in plaats daarvan vervliegt het beeld zoals de pluimstreep van een vliegtuig in de lucht verwaait in de atmosfeer. Andere beelden doemen op, hard, confronterend. De geur van ontsmettingsmiddel vult zijn neus. Hij ziet witte muren, een rijtje Motomeds. Ronde vormen in een verpleegstersuniform. Ach ja, die verpleegsters.. Misschien heeft hij gewoon te lang niet genoten van vrouwelijk schoon!

Dan valt hem op hoe gespannen hij is. Een naderend gevoel van onheil doet zijn adem sneller gaan; de kamer lijkt wel elektrisch geladen. Zijn slapen tintelen. Alsof er elk ogenblik onweer kan losbarsten.

 

“Je moeder is een levende dode. Maar jij bent een dode levende! Jou treft blaam; haar niet!”

 

De stem overvalt hem toch nog, bulderend als een storm, duwt hem bijna omver. Misschien had hij niet zoveel wijn moeten drinken. Wie zou hem vinden als hij nu in een delirium terecht komt, er niet meer uit komt? Niemand weet dat hij nu thuis is en wat gerookt heeft; het kan dagen duren voordat iemand hem vindt! O God, en wat als hij per ongeluk zijn tong inslikt? Wat als.. -Stop! De kille hand van radeloosheid knijpt zijn keel samen, zoals zo vaak de laatste maanden, schroeft het lijden een tand hoger. Het verweesde kind in hem weet niet meer waar naar toe te gaan met het verdriet. Wat sijpelend in zijn bewustzijn doordrong verwordt tot een gestage stroom die opwelt uit zijn getergde binnenste. Hij voelt een vage angst, alsof iets of iemand hem op de hielen zit.

 

I’ll swallow you whole..”

 

Waar kwam dat nou weer vandaan?`Hij begint zich steeds ongemakkelijker te voelen. Hij had die paar trekjes niet moeten nemen. Of zou het spul niet clean zijn geweest? Verdomme, hij wil niet nadenken nu!

Ineens wordt hij duizelig. Een waas voor zijn ogen doet hem achterover leunen. Zijn hoofd rust op de koele rand van de bank. Het voelt als een liefdeloze omhelzing. Dit is niet goed; iets is helemaal mis! Hij heeft het nog niet gedacht of een oerkracht lijkt hem op te tillen, smijt hem tegen de muur van zijn gebroken kinderdromen. Alsof hij in zijn buik is gestompt klapt hij dubbel, rolt als een stuiterbal van de bank op de grond, misselijk, met een vieze, zure smaak op zijn tong.  Alles draait.

 

“In de maneschijn

In de maneschijn

Klom ik op een trapje naar het raamkozijn

Maar je waagt het niet

Nee, je waagt het niet..!”

 

Fel licht schijnt in zijn ogen. Door het raam lonkt de volle maan, zwanger van illusie. Even schiet het door hem heen dat het van negen hoog vast hard vallen is. Zal hij naar het galerijbalkon lopen en zich er vanaf storten? Dan is hij tenminste van die klotepijn verlost! Niets voelt hij dan meer; niks, nada -basta! Zal hij..? Vertraagd realiseert hij zich dat hij nauwelijks controle heeft over zijn lijf. Zijn hand doet niet wat hij wil; en hij krijgt zijn lippen niet van elkaar. Na een worsteling met zijn ledematen die minutenlang lijkt te duren weet hij zichzelf op de een of andere manier weer op de bank te hijsen. Zijn armen zakken langs zijn lichaam als hij languit gaat. Gelukt!

Dan, als verlamd, spert hij zijn ogen open, zich ineens bewust van het idee dat hij zo-even overwoog een eind aan zijn leven te maken. Laffe angst doet koud zweet in zijn nek prikken. Ergens blaft een hond. Hij moet slapen! Ja; slapen, dan komt het goed, dan wordt hij vanzelf wakker en lijkt dit alles een misplaatste nachtmerrie. Alles voelt zo zwaar, vooral zijn oogleden. Hij doet zijn ogen dicht en dommelt in, zakt zowaar weg in een onrustige slaap.

 

*

 

“Sta op, Mohammed!”

 

Verschrikt wordt hij wakker, de haren in zijn nek recht overeind. De klok geeft aan dat hij minder dan drie uur geslapen heeft. Een blik op het raam: de maan gluurt niet meer naar binnen. Het is mistig in zijn hoofd. Zijn knieën voelen slap. Onzeker staat hij op en loopt wankelend naar het toilet. Hij moet kotsen.

 

 

 

[Na het lezen van het boek “Yemma” van Mohammed Benzakour]

 

 

Daar zit ik dan

Daar zit ik dan; te moe om te slapen, te wakker om te dromen. Een hele stijve nek, en overal kippevel. Het laat me niet los –iets houdt mij tegen, doet me omkijken naar jou zolang het nog kan. Want ik weet dat het komt, het moment dat ik moet gaan, onherroepelijk: de karavaan vertrekt –zonder jou.

 

En daar sta je dan, alsnog; ongelovig, vertwijfeld, met vragende ogen. Je armen naast je lichaam –of nee, één hand tast in de lucht, bevoelt het uitgemaakte vuur, ziet de as, de nog gloeiende kooltjes. Je dacht dat ik zou wachten.

 

Iemand haalde mij in, dwong mij te kiezen tussen vroeger of later, maar ik trok mij terug, leefde slechts in dat moment, voor jou. Je kwam te laat.

 

Ik zie je daar nu staan; jij zag mij verdwijnen. De horizon trilde. Mesccherpe pijn. Ik keek niet om.

 

Vergeef me, geliefde..

 

Ontbrak mij de moed? Nee, het was tijd om te gaan. Was het een afscheid? Niet zo jouw keuzes jou hadden gebracht tot waar ik ging. Jij volgde mij niet; had vast een goede reden. Maar zo ware ik in jouw hart, dan had jij geweten dat ik niet zo ver was als jij altijd dacht.

 

Vroeger is geweest; later is gekomen. En nu zijn wij hier – de ontmoeting is geschied, wat open bleef volbracht. We zijn vrij, allebei, om onze wegen te vervolgen. Ga in vrede; en weet je bemind.

Rose wood

The smell of rose wood fills the air, comforting me in a way, teasing me in another. How I wished you were in front of me, Beloved, flowing in unison, teaching me by heart, tuning me to the work and the cause we’ve set ourselves up to.. Beyond our undeniable attraction unfolds a universe in itself, strangely familiar, yet inextricably connected to our present lives. Never before I realised how much I am in need of your guidance as I do now, since our blessed encounter turned my whole life upside down and awakened dreams and desires I long deemed dormant. Old forsaken patterns suddenly come up, desperately crying, clinging to my mind as a child denied attention. They know things have changed; my old self is gone. Am I strong enough already, to make the leap of faith required of me now?

I wrap myself in wool, as the chill of night cools me down. I feel weary but refuse to sleep, struggling with the rubbing that’s going on inside of me. I sense sadness, paired with a vague sense of fear. There is self-doubt, too; and arrogance, false pride, masking a lack of trust. Everything has changed -yet so much seems the same around me!  But hey, I am not this set of behavioural patterns, and I am not the tired sensation of this magnificent body -dear as it has become to me, in time. It serves me so well..

What makes me so afraid to let go, to open up fully to this miraculous mystery Life is? The answer is there the moment I ask myself the question; years and years of social conditioning. Conditioning in what to expect and what to deny; what to conform to, what not. This small country I come from was once renowned for its daring trade, for the so-called greatness of some minds, envisioning a stronghold of economic power through the suffering of other people -now, what’s new? Anyone who succeeds in the pursuit of his dreams is looked upon with either cautiousness or disdain by the ones exerting manipulative control and those unable to rise beyond the fringes of their narrow thinking. Somehow it seems that the moment we spread our wings, the weight of the world around us pulls us down and forbids us to rise, as if we’re chained to the mediocrity of the masses who gave up their dreams to those selfishly ruling society. Never mind the few who stood up for what they believed to be true to their hearts and souls, who were not abashed by the weaknesses of others. They served their world, their societies, by rising above themselves, thus creating their own legends.

Now, may you’re every breath be blessed. May you and I and all around us stay true to the blueprints we’ve been graced and endowed with, to fight the good fight, to follow our own quests. May we be brave enough to face ourselves and our loved ones in trying times, to remain strong and certain in whatever it is that moves us forward, closer to the purpose of our very existence. May we be loving and caring, always, in whatsoever circumstance we find ourselves, acknowledging the need of others around us, and allowing true sentiments to shield, guard, and protect what is dear and meaningful to us. May we be guided by the truth of ages, the light within, the love at heart. May we be witnesses of each other’s growth and fulfilment. May we live to die a thousand times to ourselves, waking up to our birth in Infinity.

 

Deep, dark, sensuous warmth

Deep, dark, sensuous warmth. Wholeness. A vast space of stillness in which everything is alive. I feel your drum, the rhythm of your heart beat, as if it is your blood that’s flooding through my veins.

 

Where have you been, Beloved?

 

You wake me from my slumber, pulling me closer by the sense of your existence.  Slowly I’m drawn nearer to answers deep within, where veils of dissolution shroud the enigma of our past.

 

Who are you to come to me this way?

Who am I to touch upon your light?

 

I can’t help but remember a bond between two lovers, eradicating ages of lives lived without care. The image of your nature is as if imprinted on my conscience, telling me to reach out to share what I observe.

 

Blessed is the one who lives to serve his heart!

 

Nay, I could not foresee that this day would come so quickly, yet never in this life did I doubt that it would come.. May what I tell you now become dissolved upon reunion, reassuring gladly that time is on your side.

 

Not yours, but mine, was the choice to seek seclusion, abstaining from the pleasure relationship would bring. The untold truth of sages has clothed me in illusion, leading me to wander and travel out of reach. I had to come to terms with the burden of belief.

 

Your resonating sound sends shivers down my spine, undressing all around me as chiselled by a thief –no happier was I than enrapt by this mischief, divine and awe-inspiring.

 

‘Who are you to steal my heart?’, I ask you, ‘Who are you to steal my heart?’

 

Tell me, who are you to steal my heart?

 

 

 

Moments in time – LibForAll’s ‘Ocean of revelation’

To put it bluntly: I feel like I have missed a chance today. An important chance. A chance to influence and hopefully inspire the view of millions of Muslims, and perhaps some thousands of non-Muslims, throughout the world.

So what happened? I will tell you, but let me first introduce part of the story to you.

I was invited to participate in a television/video series called ‘Ocean of Revelation‘, an initiative of the LibForAll Foundation, which is ‘presenting a pluralistic and tolerant understanding of islam to Muslims and non-Muslims worldwide.’
LibForAll is an inspiring nonprofit organisation, which was co-founded by Kyai Haji Abdurrahman Wahid, the former president of Indonesia, and the American entrepreneur C. Holland Taylor. LibForAll’s mission is ‘to encourage the growth of peaceful, free and tolerant societies – built on a foundation of civil and economic liberty and the rule of law – in order to reduce religious extremism and discredit the use of violence.’

Great, isn’t it?

The in Holland rather well-known Dr. Nasr Hamid Abu-Zayd, an expert on Koranic hermeneutics, is one of their Board’s Advisors, just like Kyai Haji Achmad Mostafa Bisri, who is a well-respected religious scholar. The latter had a profound influence on the largest Islamic organisation in the world, the Nahdatul Ulama (NU).

The ‘Ocean of Revelation’ series of LibForAll is in the making, and will include 26 episodes on topics like Islam and faith (iman), Islam and pure devotion (ihsan), faith communities (umma), people of faith, proselytisation (da’wa), and jihad. The first 6 episodes have already been recorded, and they will be broadcasted in the Maledives and in Indonesia during Eid al-Fitr, at the end of this Ramadan.
The LibForAll Foundation is currently shooting footage and recording interviews with intellectuals, scholars and laymen (Muslims and non-Muslims alike) in The Netherlands, Belgium and Germany, for the 7th episode in the ‘Ocean of Revelation’ series, on Islam and the state.

Last week I received an unexpected e-mail of Ravi Krishnamurty, vice president of the LibForAll Foundation, and Hodri Ariev, its programs director. My name had been mentioned to them as a possible interesting interviewee by journalist/writer Stephen Suleyman Schwartz, an American convert to Islam. Schwartz is deeply involved with Islamic mysticism, having joined a Bosnian Naqshbandi Sufi order, and he is a serious advocate of anti-Wahhabism. As such, he rejects any sort of religious extremism or aggressive fundamentalism.
May 2009 I had presented his latest book, “Sufism, or the road to global harmony” in the book review item of OBA Live at the public library in Amsterdam. That OBA Live show was related to the Dutch Muslim and Islamic Broadcasting Organisations, the NMO and the NIO. Earlier on, in November 2008, I was invited to join the NIO’s radio show ‘De zevende hemel’ (‘The seventh heaven’) as a guest to discuss with other guests the topic of Islamic mysticism.

Well, after all I am a research master student of the MPhil Islamic Studies at Leiden University, looking into Islamic mysticism and universal Sufism.

Apparently, Schwartz has thought of me in the context of The Netherlands – ‘Ocean of revelation’ – convert to islam – Sufism; and as such he informed LibForAll about me, I guess. I owe him thanks for creating the possibility to be interviewed by camera about my opinion on the relationship between Islam and the Dutch society,and, more precise, what my views on Sufism and its possible value for interfaith dialogue concern. It was a great honour to me to be invited through him to participate in the tv/video series of LibFor All.

But, as I started with, I feel like I have missed a chance today.

This early morning in a chilly, clouded Leiden, I awaited the CEO of LibForAll, Mr. Holland Taylor, program director Hodri Ariev, and their wonderful film crew. As they were eager to shoot their footage and the interview on the spot at or near by a typical landmark, we ended up near the charming pedestrian’s bridge and the great wind mill at the crossing of the Galgewater and the Weddesteeg -a windy but beautiful and historical spot, close to the house were the famous painter Rembrandt was born.
It was great to acquaint ourselves with each other, and after some introductory talk on what I was expected to speak about, the interview took off.

My oh my, how difficult it is to speak about specific subjects in front of a running camera, unprepaired!

Looking back at the interview, I think and fear that I have talked nonsense. Not only did all the good and clear answers to the questions asked came to my mind right after we had said goodbye; I felt literally very stupid that I did not stay tuned to my very own opinions about islam and Sufism; my rational, somewhat uncertain mind took over.

Preparation for the interview was not necessary, I was told, because they felt that it would be better to let the interviewees in general speak about their own field of interest with regard to the topic of each episode.
I agree, but well; slightly overwhelmed by facing two cameras, and being asked to look straight into one of them, my mind did not quite work the way I would have wanted it to work. I still can hardly imagine that I allowed part of myself to speak of things I hardly know something about, failing to find the right words to express what I really meant to say. Worse: formulating words about my conversion to Islam, or rather I must say to Islamic mysticism, I said things I do regret to have said. Sadly, I uttered myself in my view often in an unintelligent, vague manner.

And, shame on me, I did not even mention what Sufism means to me most of all: love. Love for God, for what I experience as the Divine; love for my fellow brothers and sisters in this world -love for mankind. Love for this beautiful, awe-inspiring creation, for the wonder life is.
Another thing I feel bad about for not bringing it into the fore, is that the Sufism I stand for also involves awareness and care for the needs of others around us. As much as we are able to support one another by our own God-given talents and capacities, we should. We are all connected in this world, one way or the other: we all play our roles in the lives of others. If we fail to notice the interrelatedness of our shared existence, we might as well literally don blinders on our eyes. Living this life means living among others; how can we live like isolated suns in our own selfish universes?
As well; sharing and caring involves care for our natural environment, too.

I did not even mention that Sufis most of all seek mystical union with God, in the various ways that can be found among Sufi orders and individual God-seekers. Be it dhikr (continuous invocation of God, God’s attributes and/or Muhammad), fikr (contemplation), samaa’ (musical gatherings, involving poetry and/or dance), or zuhd (ascetism).

Yes, I did stress that many exponents of Sufism have sought to start and upheld interfaith dialogue throughout the ages; and I did stress that in my view the Western universal Sufism of the muslim mystic and professional musician Hazrat Inayat Khan (1882-1927) might be regarded as a present-day source of inspiration. Inayat Khan stressed the commonness of mankind rather than the differences; and instead of focusing on race, caste, creed or nation, he brought a universal message of love, beauty and harmony in their highest essence.
Following Inayat Khan’s world, let’s call Sufism the ‘religion of the heart’..

But alas, I did not.

Now I only pray and do hope that my contribution to the 7th episode will be useful and worthy enough to be witnessed by millions of people -and, rather than leaving some confusion behind, inspire some of them to open their hearts to a more loving, caring and inclusivist approach to life in general and the people surrounding them specifically.

Moments in time.. They pass.
Please accept this ‘testimony’ as a meagre apology for all I haven’t said in front of the cameras today.

Better stay tuned to yourself -and above all, stay true to yourself. Let your heart speak. Then, and only then, inspired ‘truth’ will prevail over rationalistic nonsense.

Hopefully the editors will do their job appropriately..

PS: Dear God, I hope I didn’t disappoint You too much.

Honger

Ik heb honger. Honger die niet lijkt te stillen als ik eet. Want ik eet en eet en eet –en wil meer eten, zoveel honger heb ik. Ik proef het wel, en ik kauw het goed; maar het verdwijnt in een schier bodemloze put. ‘Voed mij!’ Schreeuwt de duisternis in die put. ‘Voed mij, vul mij, voel mij!’ Ik voel me verdrietig worden, want ik herken dat zwarte gat. Het heeft grote, droeve ogen, zwart en peilloos; een intens verscheurd gemoed; en een zuigende kracht die me bang maakt.

Maar dat monsterlijke duister is mijn eigen, innerlijke kind, dat ik lang verwaarloosd heb, en overstemd. Ik heb haar opgesloten in mijn eigen kelder, zonder haar voldoende licht, liefde en aandacht te gunnen. Af en toe keek ik door het luik naar beneden, en rilde van de koude luchtstroom die mij bereikte. Ik heb dit zelf op mijn geweten. Hoe heb ik het weer zo ver laten komen? Waarom doe ik mezelf weer zoveel pijn? Ik ben degene die mijzelf kwelt, die mijzelf ontkent. Dat ik zoveel bruutheid in me heb!

.

Alles wat je zoekt in een ander, vind dat in jezelf: de steun, het begrip, het gevoel; je thuis, je huis en je woning; de warmte, de liefde en het vuur; de kaars in de nacht; en de schaduw overdag, om je te beschermen tegen de felle zon.

.

Wees al wie je wilt vinden; verhef je hart en heb lief, zonder zelf lief gehad te willen worden -bemind ben je hoe dan ook, want in stilte spreekt je ziel haar eigen taal; een dialoog met de essentie van je wezen.

.

.

Schrijf! Iktibi..

Gevleugelde woorden verzengen de dorheid van binnen / Zodat je wordt als as, waaruit nieuw leven zal ontspringen / Veel moet je opgeven om herboren te worden / Want de waan van de dag houdt je in haar greep / Maar je bevestigt je wezen, en helder is je hart / Dus, vrees niet, en onderga..

.

Ja!

.

In liefde, dan, ontkleed je ziel; leg je levens af, en hul je in waarheid en goddelijk weten / Niets meer heb je nodig dan de stem van je hart / Om je keuzes te leiden / En je ziel te verheffen / -Je weet waar je moet gaan..

Sta op, en neem je plaats in in het rechtmatige zijn / Bestemd en vervullend / Zo lang verwacht..

Amin.

.

.