Fin

Ik las terug wat ik een jaar geleden schreef bij het horen van dit lied; woorden gericht aan mijn ongeboren zoon, om me te beseffen dat wat en wie ik in mijn hart begroef nog altijd springlevend is. En gekend mag zijn. Lieve Ammár. Tot in de eeuwigheid.

.
Ik droeg jouw leven in mijn schoot, al was het maar voor even
De zegen van de hoop om te komen waar je kwam;
Verbannen uit de wereld in een nog engelachtig zijn

Al jaren wist je je verwacht –en van tranen overgoten
Het hart opnieuw gebroken, door overmacht en kwaad
Wat een offer om te brengen, om jou zo snel te laten gaan

Wat was is lang volbracht.. ik draag nu slechts herinnering
Mijn armen leeg en loos; er stroomt geen melk meer uit mijn borst
Al ligt jouw onuitgesproken naam immer op mijn lippen

Deze liefde is een schrijn; verdriet, genadeloos verlangen
Te weten wat ooit was, nog is, maar nooit zal mogen zijn:
Voor wat ik had en heb te geven komt de tijd nooit weer

 

Tash-e-Khauli

Dit grote hart herbergt vele kamers
En evenveel geliefden, geliefde
Wie ben ik om dat te ontkennen?

En toch zijn wij bestemd,
Herkennen wij elkaars oogopslag uit duizenden

Dus wandel met mij en heb mij lief;
Zie mij aan, sta mij toe –
Hef mijn hand naar je hart en wees gezegend

Begrijp je hoezeer ik je lief heb?
Dat ik
Getuige ben van je groei, je stralende wezen,
Ernaar verlang de jouwe te zijn, al was het voor even
Of een heel leven
Maar lang genoeg om jou te raken,
Je licht te weerspiegelen,
Jouw vuur aan te blazen
Heilige olie voor je lamp te bieden,
Water voor je dorstige ziel
Jou te geven wat ik heb –
Wat jij ontbeert

Ik draag je met me mee in wie en wat ik ben,
Wars van de norm of een vorm die beperkt
Wat ik voel voor jou,
Al zal ik je niet altijd kunnen vergezellen
Waar onze paden slechts kruisen
Kom dan thuis in het moment
En weet:

Ik heb je innig lief.

 

 

 

Gal

Eigenlijk wil ik mijn krullende zinnen om mij heen slaan, haren wapperend in de wind, de donkere nacht in, huilend naar de maan en lopend naar het licht dat mij oordeelloos zal begroeten en omarmen.

Hoe lang nog voor ik breek, oversteek naar gene zijde en mij afvraag waarom ik niet eerder bevend losliet, het leven voor vol aanzag en grenzeloos beleefde zonder angst om af te wijzen of afgewezen te worden?

Ik dacht dat ik zo vrij was; zo liefdevol en warm. En niets is minder waar voor wie mij kent, onderhuidse stromen enterde en meedreef tot de eeuwenoude bron waar gesponnen goud zich in harten nestelde voor wellicht een schijntje -een glimp van diep vertrouwen, oprechte overgave, een liefdevol gebaar.

Die bron is wie ik ben; en toch tast ik nu in ‘t duister, dwalend met mijn doelen, verlangend naar meer richting, minder chaos in mijn hoofd. Leer mij mijn parels te behouden voor wie ze werkelijk waardeert! Dat ik mij slechts omring met wie mij vleugels geeft zo ook ik hen help groeien.

Het voelt koud en kil waar ik nu ben; ik heb een punt bereikt waar mijn innerlijke vuur niet reikt, een schimmenspel mijn herinnering bespeelt, de betovering verbroken is, naakte illusie mijn dromen ontmaskert, al die tijd onder mijn ogen zweeg.

Keer terug naar waar je thuis hoort, heks, laat mij in vrede voortgaan en weet je verzekerd van een dichte deur als je wederom je gal wilt spuwen! Bevuil gerust je eigen nest maar laat mij erbuiten. Jouw jaloezie zegt meer over jou dan over mij.

 

 

 

Her-inneren

Nee, ik maak me geen illusies over mijn plaats in jouw leven
Noch maak ik me zorgen over het gapende gat waar ik jouw schitterende hart ergens verborgen weet
Geprezen zijn de warme armen, de hongerende handen die de mijne voorgingen!
Dat je je altijd bemind en beschermd moge weten, strijder,
Met zachtheid en schoonheid omringd in deze vaak ook harde, koude wereld

Wat kan ik anders dan jou liefhebben met heel mijn ziel en zaligheid,
Wetende dat het licht van de rede de waarheid niet ontkracht maar bevestigd?

De tijd die door je vingers glijdt, het genot dat je tot je neemt,
De waarde die je wegwast met ieder blijk van genegenheid, te dichtbij voor overgave…
Het doet er niet toe hoeveel er zoals ik in jouw dagen en nachten zullen volgen
Weet mij aan je zijde waar en wanneer je me nodig hebt, de stille kracht die de jouwe herkent-
Roep mij aan en ik zal er zijn, gedreven het goede te dienen, jouw licht te erkennen, het mijne te zijn

Oh, jouw kracht en ingetogenheid, de innerlijke leiding, het afgestorven deel, de echo van verdriet!

Weet je, heel ben je nog steeds.
Ik zal het je helpen her-inneren.

 

 

Qadaa wa qadr

En dus houdt ze van hem, de strijder
die thuiskomt in berusting,
wiens vlucht haar raakt en inspireert
tot op het bot

Ze weet zich één van zeven prinsessen,
min of meer; hij, haar wijze uit het Zuiden
beiden uitverkoren om wat zoveel verder voert
dan hun beider som der delen-
een synergie die hun begrip te boven gaat,
hen laat voortborduren op verlangen
naar verheffing, verandering,
om de status quo te lijf te gaan

Ze wil hem nader zijn en toch ook laten,
zijn muze zijn -zo ware zij één van hen,
sterrenstof voor zijn gedachten en
hands-on support in life, maar
bevrijd van happily ever after
-want hard werken zal het zijn, en alle zeilen bij,
waar een gedeelde passie
zowel leiden als lijden omvat

En dus reikt ze naar zijn hart, ziet ze zichzelf
wederom een knieval maken,
inhaken op wat weerloos en van waarde is,
haar trots voorbij, geschaakt voor en door het leven

Oh ja, ze ziet zichzelf!

Haar adem warm en zacht, een fluistering
in zijn oor, koren op zijn molen,
de stuwkracht van haar stroom voeding voor
de duizend dromen die hij in zich draagt

Zijn bestemde daden boezemen haar vertrouwen in,
wijzen haar weer op de grootsheid van de reden- ya Allah!
Perpetual bliss revisited…

Ze weet dat hij zich bewust is van haar nabijheid, ook op afstand;
voelt zíjn handen waar woorden niet gaan en baant
zich een weg door de dag naar de nacht
waar een oogopslag ooit boekdelen zal spreken
en de stilte hoorbaar liefde predikt,
als het hoofd niet meer weegt en wikt
wat het lot lang had beschikt,

eindelijk triomfantelijk zegeviert.

 

 

Overgave

Hij die mijn naam noemt, benoemt wat er in mij leeft,
vleugels geeft aan dromen die ik mijzelf ontnam-
waardig is hij

Zijn stem resoneert in het diepst van mijn gedachten,
zet mij aan tot een proeve van bekwaamheid
op het scherpst van de snede

Wat in het verleden speelde rust in vrede, ja-
en ik aanschouw opnieuw de keuzes die ik maakte,
al wat ik verzaakte maar in wezen liet sluimeren

Hayya 3ala’ssalah!

Aya zegt: het is tijd voor zuiverheid, de rechte weg
van binnen naar buiten te bewandelen

Dus hier ben ik, Heer,
het hoofd gebogen, het hart verheven-
hoor mij aan en sta mij bij  
opdat ik welbewust mijn pad vervolg, de gevolgen
van mijn handelen onder ogen zie,
wijs beslis en eer wie ere toekomt,
herschik wat wijziging behoeft,
in vrede laat gaan, ontstaan en bestaan
en begrijp welke weg nog voor mij ligt;
stuur mij bij en verlicht mijn onwetendheid,
leid mij in vertrouwen naar de bron,
bereid en gereed om uw Almacht te dienen

Toon mij hoe te leven in het licht,
hoe te houden van wie mij lief heeft en dierbaar is,
nu ik voel dat de grond waarop ik treed
niet is wat het leek en alles weer verandert

Wat mij rest is het beste wat ik kan geven:
overgave

Wa la hawla wala quwwata illa billah
 

 

Almanzor

Hij kwam, zag en overwon
Maar betaalde wel een prijs voor zijn herinneringen

De zachtheid van het eerste ochtendlicht;
de roep van een vroege vogel, opgeschrikt
door de beheerste gang van zijn paard,
soepel, vloeiend, onvervaard
-gebrand op zijn netvlies, net als de rokende puinhopen
van weer een gevallen gehucht, zuchtend onder het juk
van overheersingsdrang aan gene zijde, opgeslokt bij nacht en ontij
toen vrouwen en kinderen uiteen stoven in blinde paniek, zwaarden blonken,
diep zonken in teerbeminde mannen en hij de wreedheid
van het aards bestaan wederom aanschouwde, de hang naar
tastbare rijkdom ver voorbij het rijk van de geest

Is hij toch armer dan hij denkt?

Zijn invloed reikt verder dan ooit tevoren,
ver voorbij waar ambitie hem vooralsnog voerde, het recht en het woord
die hem ooit zo bekoorden lang verruild voor de vervulling van
de veroveraar, de tovenaar, die macht, pracht en praal wist te vergaren
met iedere zilveren draad die zijn slapen aandeed sinds hij het oosten
van zijn jeugd verruilde voor zijn verwesterde man-zijn

Hij kijkt uit over de nu vrijwel verlaten vlakte, een enkele ongelukkige
nog kermend in doodsangst tussen de lagen van lijken,
biddend om verlossing en een laatste blijk van eer om eens te meer
de waanzin van de wereld te ijken alvorens te bezwijken, te
vergaan met de wormen die woelen waar ieder gevoel verdwenen is,
slechts gemis rondwaart te midden van wenende weduwen

Hij houdt halt en is zich ineens gewaar van zijn pantser, dat hem omsluit als een mantel.

Zachtjes rinkelen de ringen bij iedere zucht die hij slaakt terwijl
het ochtendgloren inmiddels zijn wimpers raakt en zijn iris verwijdt
bij de gedachte aan dat licht op haar huid, jaren geleden, de ooit
verzengende hitte in stilte geuit onder het mom van vergeving,
een gebaar van genade, zijn woede bekoeld op het moment dat haar vingers
zich verstrengelden met de zijne en zij zich eindelijk aan hem overgaf

Niets was hem zo kostbaar als het licht in haar ogen, de warmte van
haar die hem zo nabij was, wier aanwezigheid hem immer vergezelt
ongeacht de mijlen die hen scheiden in de tijd, de geur van
kardemom in zijn koffie nog altijd even verleidelijk als haar kaneelkleurige dromen
die hem deden verlangen naar de luwte van haar schoot, de
dood in de diepte van het leven zelf -hoe kort kon eeuwig duren!

Hele volkeren zette hij naar zijn hand;
maar het land van haar liefde lijkt voor altijd onbegaanbaar
na haar volkomen vervoering, haar hem toegewijd zijn -een
waarachtig mysterie voor zijn logische geest, al
schuwde hij de waarheid niet, vond hij zijn weg naar haar hart, en
de heiligheid van haar heupen van meet af aan

Hij maant zijn merrie tot draf en geeft haar dan de vrije teugel,
temt de lustige leugens in zijn hoofd die hem willen doen geloven
dat anderen volstonden -de ontelbare rondingen die zijn scherpe kantjes
niet konden verzachtten maar hem haar éven zouden doen vergeten
en hij beseft zich dat híj de onderworpene is- en toch gelukkig is, wetende dat
zij zegeviert als fiere regentes van zijn ziel en hij denkt:

Zalig zijn zij die in vrijheid beminnen,
door God overwinnen-
w’uqsum billah,
want liefde is alles.

 

Bo

Ik buig voor je oeverloze begrip, voor je snelstromende handen,
Je liefdevolle stuwkracht die begrenst wanneer het moet;
Voor de overvloedige wijsheid waarmee je zaadjes doet ontkiemen
Al dan niet door jou geplant, in aandacht en vertrouwen

Je biedt ze draagkracht om te bouwen, om vleugels uit te spreiden,
Levens te leiden met vruchtbare grond onder groeiende voetjes,
Die je stuurt met natuurlijk overwicht, ontroerend inzicht
En de gratie van de tijd, herleid door mooie dromen

Jouw heldere blik doet ieder kind zich openen,
Zich richten naar het licht, als bloemblaadjes die ontvouwen,
Hun eigen kleur en waarde leren kennen in de wilskracht van het nu;
De schoonheid van een scheppend bestaan..

Ik ben zo dankbaar voor de vele wegen
Waarin het ware zich door jou mag openbaren,
Voor de zegen die jij uitstort, ongeacht je strijd
En dat je desondanks blijft doorgaan, blijft delen uit de bron

De vele harten die je raakt, heethoofden die je sust,
Brandhaarden die je blust door te laten zien
Wat samenbrengt, wat werkt, voor iedereen –
De altijd aanwezige eenheid in verscheidenheid

Ik buig voor heel jouw wezen, voor je genereuze schoot,
Waarin ook ik me welkom weet door de ogen van mijn dochter;
Stralend van plezier, het leren één groot avontuur
Want ik leerde met haar mee wederom een kind te zijn.

Prachtig mens, jij zorgt voor heel de wereld..

Dat het je altijd goed moge gaan!
Ik heb je innig lief.

 

Ardhanarishvara

He had called upon God, that angel in disguise, he,
a human cloaked in wonder and amazement, his
love for life so great that Grace decided to descend and
softly whispered ´trust and behold, a miracle
will reveal itself´ unto his heart, beating in awe

And lo! Guided he called upon Love, Grace still
filling his every breath and heart beat, remembering
the light he had perceived throughout the past, a piece
of the puzzle so imperfectly perfect it made him cry
and wrung whatever doubt yet remained from his being

For there she was, that devi from his dreams, the wide-eyed
gazelle that gazed right into his soul, piercing any
remnant of fear left to linger in the depths of despair,
sowing stillness in silence, soothing the pain of
a previous separation with her beaming, benign presence

‘Fear not,’ her right hand said, ‘may peace be upon you and
your loved ones in every direction of time,’ blessing him
and future offspring with every tear she’d ever cried
out in the open, her left hand the spring in his step, the fertile
flow of Love’s forgiveness heralding a new era of life, of peace

For she had been riding the beast though answering the All, perceived
the dazzling beauty of the One she had been aware of all her life,
seen him in a vision she treasured within, at the brink of disaster,
when lightning had struck and she had to fight to live or
let go of it all, the netherworld her darker game of shame

But there he was, calling for her, bidding her being closer and closer still,
gathering her unto him ever so gently, respectfully,
that it made her long to kiss the ground he had
thread upon, to wash her face with the dust whirling in
the pace of his footsteps, bringing her home to life itself-

Home to the light of day, the bright, warm sunshine sparkling in
his very eyes, the sweet, loving sound of her name upon his lips,
the joyful prayer in their hearts, healed by heeding the Divine reality,
shielding them from harm, guiding their every step, aligned by Grace,
to a happy fate, in service to all -the blessing of kind.

 

Een deerne uit Heerde

En toch ben ik een vreemde waar jij woont –ik, een deerne uit Heerde, het oosten van het land. Geen stadse luchten boven mij maar eindeloze wolkenrijen, gespiegeld in een strak, gestuurd kanaal

In mijn oren weerklinkt de roep van een zwarte aalscholver die opduikt uit grauw water, druppelsgewijs opstijgt en mij ver achter zich laat op zijn vlucht naar een betere visvangst

Ik speur nieuwsgierig naar waar het spoor van een zilverreiger mij leidt, terwijl ik voortga langs de wetering en vergeeld riet aan het oog onttrekt wat ik achteloos passeer –glimmende, gebroken schelpen, gedropt door afgedreven meeuwen

Mijn pad is recht hier; echter, ik kronkel liever zoals de kolk in de rivier waar je op moet passen voor de stroom, verleidelijk maar verraderlijk voor zowel de warrige waaghals als de zwervende zwemmer die beiden bereid zijn hun dromen te offeren voor een duik in dat diepe

Kon ik ergens gelukkiger zijn dan aan de randen van mijn dorp, lang verguisd, nu stil aanbeden? De rust, de ruimte, de weidsheid van haar weides; de kalmte van haar kabbelen en kibbelen, kleinburg’lijkheid ten top doorspekt met nouveau riche en een handjevol toeristen –en toch iedere zomer weer overspoeld tijdens de Randstedelijke trek

Kom, ik neem je mee; pak mijn hand, laat ons lopen op het stuifzand, zie die vliegden daar nou staan, kijk; de heide kruipt weer op!

Ruik je de boslucht waar je staat, het mos, de laatste paddenstoelen in je neus? In de herfst nog parasolzwam gegeten, vlakbij huis geplukt..

Nee, ik herinner me niet ooit op de kerktoren te hebben gestaan; noch beweer ik dat ik ieder bos of paadje ken –’t is veeleer het vergroeien met de plaats en tijd, kleine kinderen groot zien worden, jonge mensen ouder, volwassenen langzaam grijs en dan te weten dat ik aan dezelfde

cirkel deelneem en mijn plek heb ingenomen in dat grotere geheel. Laat mij maar een trekvogel blijven en af en toe neerstrijken in dat culturele conglomeraat waar jij deel van uitmaakt, wetende dat ik trots ben op mijn wortels en mijzelf hervonden heb.

Verankerd

Zoveel schoonheid versplinterd in mijn ogen, drukt
zwaar op mijn gehavend hart dat
nog zo verbazingwekkend heel is en
toch vermalen door de tand des tijds

Verloren in verlangen eis jij op wat je lief is,
Geliefde, terwijl je naast je neerlegt
wat voor mij wezenlijk van waarde is
om te kunnen groeien en bloeien

Waar(om) mis jij de boot, hou jij je schijnbaar doof voor
de lofprijzing van openheid die ik voorsta?

Ik gaf mij juist bloot vanwege de vermeende vrijheid
van al doende denken die ik in jou dacht te ontwaren!

Mijn weg meandert, verandert wat grillig; ongrijpbaar wellicht, maar zuiver
en zoet als de taal op jouw tong, losser door de overgave
die tegelijkertijd aan banden wordt gelegd
met ieder blijk van terughoudendheid

Het weerhoudt mij niet alleen verder te gaan

Mooie man, vermomd genie, jouw ontelbare gezichten
lichten op als vuurwerk dat dooft in mijn hoofd,
de ijdele perplexiteit van het niet-vatten van je vage verwijzing
naar de leugens die jij wil torsen en ik afwerp

Draaiend om je as vind jij je weg naar huis; een thuis
dat vraagt om een leven vol liefde en bescherming –
een dierbaar anker voor menig drenkeling op volle zee..
compromitteer dat dan ook niet!

Ik betuig respect aan de grootsheid van het doel, dankbaar
voor de diepte van vertrouwen en de glimlach die jij achterliet
maar oprecht bedankend voor de dans,
wetend wat er komen gaat

Ik heb je lief.

Weerspiegeling

De tijd tikt af wat niet langer bij mij hoort, zet
aan tot nieuwe sprongen, laat
gaten vallen in het woord, mijn
garen van verbinding

Waar verlangen pulseerde zonder verheffing
aast de hartstocht op verzoening,
wast de wekelijkse stroom mij eens te meer
schoon van illusoire escapades

(al dan niet genoten in het vlees)

Wat blijft en beklijft spoelt restanten rusteloosheid weg,
slecht rakelings nog rafelige leugens, de
gouden randen van woeste wolken schijnbaar
zwaar van strijd en storm op komst, niettegenstaande

de kalmte in het oog en het inzicht
dat er waarlijk immer licht gloort aan de horizon.